Home » Columns

Categoriearchief: Columns

White Privilege – 1914

(Een moeder met drie kinderen voor hun plaggenhut bij Onstweddertange – Foto: Tonnis Post, collectie Groninger Archieven

Afschaffing van de slavernij

Het is een relatief onbekend gegeven dat met name de Nederlandstalige Zuid-Afrikaanse Blanke Boeren voorop liepen in de afschaffing van de slavernij. Samen met de nieuwe regeerders in de Bataafse periode van 1803-1806 werden concrete stappen genomen om zowel de slavenhandel als ook de slavernij af te schaffen!

Direct met de komst van Mr. Jacob Abraham Uytenhage de Mist als Nederlandse Commissaris en Jan Willem Janssens als nieuwe gouverneur-generaal werd in 1803 het verbod op het invoeren van slaven ingesteld. Daarnaast zou de slavernij geleidelijk aan worden afgeschaft door elke nieuw geboren slavenkind de wettelijke status van vrije burger toe te kennen. Gelijkheid van rechten en plichten.

Deze revolutionaire koers was niet helemaal naar de wens van de heersende elites en met de vernieuwde Engelse machtsovername in 1806 werd snel een streep gehaald door deze allereerste Republikeins-Nederlandse poging de slavernij af te schaffen. Rond 1800 waren de stemmen om de slavenhandel te staken steeds luider te horen en verrassend genoeg was het vooral Engeland dat zich hiervoor inzette.

Het was voor hen zelfs een belangrijk agendapunt en onderdeel van hun eisenpakket in de besprekingen die leidden tot het verdrag van Wenen in 1815. Dat juist Engeland – de slavenhandelaar bij uitstek – zich opwierp als pleitbezorger was niet zo verwonderlijk en had dat een iets andere reden dan edelmoedigheid. Concurrentie en niet medemenselijkheid was het argument dat daarbij speelde.

Engeland had in bloedige campagnes en oorlogen rond 1800 de macht over Noord-Afrika naar zich toe weten te trekken, het traditionele ‘wingebied’ voor slaven. Engeland wilde de absolute economische macht van haar Imperium beschermen door andere (opkomende) concurrerende naties het recht op invoeren van werkkrachten onmogelijk maken en zeker niet het wegroven van werkkrachten uit haar Noord-Afrikaanse gebied toestaan.

Zelf had ze in vele jaren van mensenhandel grote volksplantingen weten te realiseren die in voldoende mate voor nakomelingen zorgden zodat nieuwe aanvoer niet noodzakelijk was.

Om op een andere manier in de behoefte van nieuwe werkkrachten te voorzien werden ‘contractarbeiders’ aangeworven, mensen die zelf hun overtocht betaalden en per saldo tegen lagere kosten het werk mochten verrichten. Een praktijk die de Engelse elite op het ‘Suikereiland’ Trinidad al had gebruikt.

Nadat het economisch niet meer rendabel was om van de relatief dure slaven (aanschaf, transport, verzorging, onderdak, etc.) gebruik te maken werd daar de slavernij afgeschaft en werden zo’n 150.000 Indiase contractarbeiders naar het eiland gebracht. Deze koelies verrichten tegen lagere beloning zelfs de smerigste karweitjes wat zorgde voor enorme spanningen.

Niet normaal …

Het Belgische trappistenbiertje maakte zijn tong los terwijl hij onderuit gezakt in zijn comfortabele stoel genoot van die zwoele zomeravond. Zwaluwen kirden luidkeels daarbij capriolen makend door de lucht toen hij haar wat vanuit zijn jeugd verhaalde…

“Ik zal toen denk ik een jaar of acht geweest zijn schat ik zo. We waren als gezin net terug verhuisd naar onze oude thuisregio, hoog in het Noorden. Een van moeders zussen kwam op enig moment vanuit het midden van het land omhoog te logeren, samen met echtgenoot en een van haar kinderen, in leeftijd gelijk aan het mijne.

Ze maakten van de gelegenheid gebruik om ook even op visite te gaan bij een Westerwolds gezin waar tantelief in oorlogsjaren als westers bleekneusje verbleef om het hongerspook te ontvluchten. Dat was dan met zijn viertjes samen in hun Franse voiture, oom & tante, hun kroost en ik als medepassagier. Het was een hartelijk weerzien en er waren levendige herinneringen die naar boven gehaald werden waar wij als kleuterkindjes nauwelijks oor laat staan geduld voor hadden, vol jeugdige energie stuiterden wij eruit, naar buiten, samen met een leeftijdgenootje dat daar huis hield.

Kortgebroekt en met zijn drietjes verkenden we de buitenbuurt en al snel ploegden we met onze blote beentjes door de bergen grond en modder van het nabijgelegen bouwterrein. Het kort daarvoor geruimde bouwland lag bergs-gewijs aan de randen hoog opgestapeld van de te verrijzen nieuwbouwwijk, compleet met paal en prikkend rasterwerk wat tot dan het vee binnen de perken had gehouden. Als berggeiten van berg tot bult ferme bokkesprongen springend tikkertje spelen, totdat ik me pardoes verstrikt verstruikelde in resten roestig prikkeldraad.

Auw en oeps, in beide benen vast verkleefd en prikkend hield het me tot bloedens toe krammend vast dat in kleine straaltjes naar m’n sokken sijpelde. Kreupelend uit de modderbergen richting huis van het Westerwolds gezin waar oom en tante op de koffie en aan de klets waren, hun kroost verschrikt en ontzet samen met mij naar daar onderweg vooruitgesneld door het Westerwoldse leeftijdgenootje dat hevig deurbel klingelend zijn moeder de deur liet opendoen.

Met prikkeldraad gelardeerde beentjes en van pijn doortrokken stond ik bloedend wachtend op ouderlijke hulp en haar verzorging maar ontsteld en radeloos draaide zij zich om, daarbij om tante roepend. Die verscheen al even verschrikt en in paniek en wist zich met de situatie en het huilende kleuterventje dat ik was geen raad. En zo ineens was daar de stilte, rust en raad en wist ik wat te doen.

Onder luid gekrijs van tantelief en Westerwoldse pleegmoeder vatte ik met beide handjes het gekrulde prikkende draad, trok het rustig uit mijn beentjes en legde het in het grind naast de rode stoep waarop ik stond. Ik was niet verbaasd, niet bang, voelde geen pijn en het bloeden stopte nagenoeg direct zoals ik al tevoren ‘wist’, helemaal toen ik mijn handjes over de beschadigde beendelen wreef. Tantelief zette van ontzetting en schrik grote ogen op en kon haar ogen niet geloven, maar ik vond het heel normaal, voor mij was het niet eng, ik deed wat ik kon en moest doen.

Het bezoek eindigde abrupt, alles moest direct en stante pede in de Franse voiture terug naar haar zuster en mijn moeder en werd ik vooraf en tijdens de thuisrit in alle toonaarden toegesproken om hier nooit en te nimmer een woord over te spreken, niets te zeggen – tegen niemand niet en zeker niet tegenover moederlief – dit was niet normaal, duivels en diabolisch, en dat beloofde ik angstig. Ik voelde me schuldig, vies en stout, ik had iets slechts gedaan, maar wist niet wat.. voor mij voelde dit goed, gewoon en heel normaal en ik was blij dat ik van de pijn en ook het bloeden af was.

Als kind stond ik er niet bij stil dat dit een ab-normaliteit was, mijn moeder, ja die zou het wel begrijpen. Thuisgekomen vertelde ik haar stiekem toch wat mij was overkomen maar nee, ze wilde er niet naar luisteren, dit was niet normaal, duivels en diabolisch, vroeg op bed, ik mocht er met niemand ooit over spreken en ze zou voor me bidden en hoopte dat het nooit meer zou gebeuren.. ik mocht niet normaal maken wat niet normaal is.. het gebed heeft niet geholpen..

Zetnaitzain….

… hoor ik hem zeggen, als hij de deur voor me geopend heeft en ik bij hem naar binnenstap in de klassiek en stemmig ingerichte wachtruimte. ‘Hem’ is Hille, Hille Huiting om volledig te zijn, de uitvaartleider bij uitvaartverzorgingsbedrijf Eefting.

Het is zeker al weer een paar jaar terug dat ik hem voor het laatst – en dat in functie – gezien en gesproken heb. Door zijn beroep is de 55-jarige Oost-Groninger vaak- en veelal wat op de achtergrond dienstbaar actief en dat onderhand al vijftien jaar. Voorafgaand aan m’n bezoek zag ik de deur geopend worden door een van de heren Eefting van het familiebedrijf, hen ken ik ook al jaren, maar het was Hille die de deur voor me opende.

“Zugst der goud oet” was mijn reactie en daar was geen woord Frans bij. Hij strak en degelijk in ’t pak, haar in model, schoenen glimmend glad en met bij zijn taak en functie bijpassend karakter. Ik ook – maar dan met wapperende grijze lokken, blauw Primark shirt, vest en in korte broek met Lowa wandelstappers om de voeten. Op zijn vraag wat hij voor me kon betekenen draaide hij zich om en op weg om het benodigde op te halen vroeg hij me of ik ook zin in koffie had en of ik daar ook wat in wilde hebben, want dan nam hij dat direct mee.

Niet veel later pende hij tegenover mij aan tafel het een en ander over om dat later aan mijn verzekeringspolis vast te plakken. Ik laat me (het liefst pas over een x-aantal jaren, dat dan weer wel) vakkundig onder de grond spitten en als het kan op de plek die ik daarvoor gereserveerd heb, gecodeerd met AG-nogwat en eindigend op 0065. Maar, welke plek dat is dat kunnen ze daar niet ruiken, handiger is het ze dat van tevoren even laten weten.

Op de heenweg schoot het even door me heen dat ik al veel eerder met Eefting afgesproken had dat ik m’n verlanglijstje voor het Moment Suprême nog zou inleveren, dus of er wel of geen Poffert bij de koffie moest, met of zonder appel of slagroom, krentebol of broodje kaas misschien of zelfs een borrel erbij en dat ik zou aangeven of er ook meziek-bie-mos. ‘k Ben er nog niet uit welke artiest ik dan uit de luidsprekers laat lallen & schallen maar ik denk daarvoor nog wel even de tijd te hebben.

Misschien is’t wel een idee om speciaal daarvoor een luchtig, leuk en laatste stukje in te leveren om daar en dan (voor)gelezen te worden, een paar kwinkslagen erin, wat droge humor en dat ze me daarna naast broerlief onder de grond wegwerken. Lurkend aan m’n koffie bespraken Hille en ik het een en ander en met een glimlach om de lippen stelde ik hem de vraag of hij wist hoe of dat nu zat met een etagegraf. In mijn beleving stoppen ze me zes-voet diep in de grond om naderhand de grond stevig aan te stampen, waarom dan de benaming ‘etage’?

Onder de koffie boomden we met zijn beiden nog even over van alles en nog wat door en kwam ook zijn vader Bouwie Huiting nog even in herinnering voorbij. Johan Poppenprijs winnaar Bouwie is een man die in naam & daden nog bij veel Oost-Groningers in herinnering voortleeft, een maatschappelijk betrokken kerel dat was het, een zorgzaam type die altijd voor iedereen klaar stond, een goed organisator en ook iemand die goed met mensen om kon gaan.

In dat opzicht is Hille een echte zoon en kopie van zijn vader met dezelfde ruime inborst en goede karaktereigenschappen. Op die wijze leeft vader Bouwie voort, niet alleen via zijn zoon Hille, maar ook in herinnering blijft hij springlevend. Dat is met alle mensen zo .. ook al zijn ze al jaren niet meer om ons heen en hebben we hen al ’n Zetnaitzain…

Zal’k die wat döner doun?

.. zegt Jan, “dat is ook wat Henny zo lekker vindt” en met Henny benoemd hij onze gemeenschappelijke Pekelder kameraad die mij door zijn aanbeveling bij Jan bracht. De 62-jarige Jan Geertsema, hij staat met zijn mobiele Grill Oet Grunnen al jaren op zijn vaste stek tussen de Winschoter Jumbo en Cultuurhuis de Klinker. Niet alleen kip-aan-’t-spit, maar ook kippenbouten, worsten, frieten en ander frituurwerk gaan er bij Jan over het smulbuffet, zo ook de Döner. Het zal wel een gebrek aan m’n opvoeding zijn geweest maar hoe dat smaakt en waar dat naar proeft, daar heb ik geen actieve herinnering aan, dus ik op naar Jan. “Ik mok die wel wat” zei Jan en hij dook achter de oven en in zijn Grillmobiel en sloeg zijn slag terwijl Andrea zich om de klandizie voor de wagen kommerde.

Het is een veelzijdige kerel die Jan, technisch en administratief handig en kan ook alles zo lijkt ’t. Ooit begonnen bij de douane in Nieuweschans liet hij zijn handen wapperen bij de alom goed bekend staande garage(s) Metting en later Bruining in Bellingwolde om daarna voor z’n eigen boterham en de wel waarderende Oost-Groninger en kritische maag van de Oosterburen kip aan het spit te rijgen. Dat alles op de donderdag en vrijdag in Winschoten met veel succes om zaterdags in zijn woonplaats Bellingwolde zijn Grillmobiel bij de Coop af te meren. Motorrijden en vissen dat is wel zijn dingetje maar het komt er door de drukte niet zo vaak meer van. Maar ontspanning dat is er nog genoeg, daar zorgt hij wel voor, geregeld een keer met kameraad Henny achter een glaasje gerstenat en op de Winschoter Nacht waren ze samen met andere kameraden altijd te vinden.

Of ik er ook knoflooksaus bij wil, vraagt Jan.. ook zelfgemaakt! Ja, da’s altijd lekker en zo staat er döner mit zelfgemaakte saus voor m’n neus, schijfjes goed gekruide, geschilde en gerilde kip met een fijn gesneden groentebouquetje on top, lekker! Kan me voorstellen dat niet alleen kameraad Henny dat lekker vindt maar ook een hele kudde Oost-Groninger inboorlingen die zich elke week om de grill van Jan verdringen om hun lekkere trek te stillen. Terwijl ik de smakelijke hap onder mijn neus naar binnen vork is Jan druk doende de trek van de voor zijn Grillmobiel samengedromde klandizie te stillen. Ik veeg m’n lippen af, gooi verpakking in de ton die naast de openstaande deur staat en zwaai af als hij me nog even staande houdt en vraagt of ik nog iets mee wil naar huis..Zal’k die wat döner doun?

“Moeten er ook kruiden op?”

….vraagt hij terwijl hij een pronte partij kibbeling uit de hete bakolie omhoog vist. Kort daarop laat hij een schooltje verse vis hun laatste baantjes trekken in de bruisend hete olie tot ze goudbruin gebakken zijn. Samen met Linda & Natasha vormt de altijd goedlachse Marcel een Vrolijk Vistrio en zijn ze elke zaterdag op hun vaste stekkie op de markt aan de Venne te vinden, net achter Mecca. De 46-jarige Marcel staat – in navolging van zijn vader – al jaren op de Winschoter zaterdagmarkt, hij vanaf 2005, vaderlief al vanaf 1984.

Vishandel Keeman, hele generaties Oost-Groningers hebben daar aan de kar al staan genieten van de gebakken vis, kibbeling, gerookte zalm, (broodjes) zoute-haring, makreel, spekbokking, brado’s.. afijn, een rijk gevuld zeebanket waar de Nuchtere Noordeling en ook de Oosterburen hun vingers geregeld bij aflikken. De kraam van Keeman, je komt er niet ongemerkt aan voorbij, daar zorgt de altijd spontane en praatgrage Martin wel voor die met een kwinkslag en prettig gestoorde opmerkingen de marktgangers als het ware naar zich toetrekt.

“Ik zou een vrolijk viswijf geweest kunnen zijn” grapt Marcel “als ik niet als kerel uit het ei gekropen was” en schatert vrolijk mee met de klanten die aan de kraam met smaak hun visschaal leeg en de maag vol happen. Hij heeft altijd goede zin, nooit een sip gezicht, vrolijk bakkend laat hij zijn handen wapperen en lacht zijn tanden bloot.. “moeten er ook kruiden op?”

Van Schooljuf tot Viswijf

Breed lachend toont ze de vers gevangen forel voordat ze hem schoongemaakt en gekruid in de oven laat garen. Het is een van haar specialiteiten, samen met de ambachtelijke en zelf gerookte regenboogforel. “Wie had dat kunnen denken” zegt Marieke, die tot voor kort in Scheemda als leerkracht voor groep 5/6 stond. Daar ken ik haar ook van, de goedlachse juf van de basisschool achter m’n huis, waar ook de kinderen van neef Vincent school gingen. Zo ineens trof ik haar in een heel andere omgeving, buiten achter bij de spoelbak, kundig een tros forellen kakend. Hoe dat zo kwam? Dat vertelt ze me even later.

Met een verse bak dampende koffie en een appelpunt met slagroom voor de neus zit ik bij haar aan tafel in het bijbehorende knusse restaurant terwijl ze enthousiast haar verhaal houdt. Marieke Meijerhof, al 38-jaar een Midwolmer in hart-en-nieren, bestiert sinds zomer 2021 samen met haar man Peter Forellen(vis)vijver ‘De Kolk’ in Midwolda. “Ik heb een mooie carrière switch gemaakt”, zegt ze lachend nadat ze de geschoonde vis onder de kraan gespoeld heeft “Van schooljuf tot viswijf” zegt ze grijnzend “en dat bevalt uitstekend, ’t is geweldig werk, elke dag is weer boordevol leuke verrassingen, ik kan er wel een boek over schrijven, neem nu de dag van vandaag.”

“Een groep van 13 personen zou vanmiddag komen om te vissen, tenminste dat had ik er uit begrepen. Dat was wat ze mij met handen-en-voeten geprobeerd hadden uit te leggen. Het waren geen Groningers, ze waren oorspronkelijk afkomstig uit Oost-Europa denk ik. De stoelen waren netjes in de zon rond de vijver klaar gezet, hengels erbij, voer, afijn, alles klaar om de forel aan de haak te slaan, maar.. ze wilden de vissen niet zelf vangen maar opeten. Dat was dus even snel schakelen, hengels weg en dertien verse forellen uit het water en aan de kaak, want ja, ik laat me niet zo makkelijk van de haak slaan. Met hulp van zwager en dochterlief (een toptalent in de keuken trouwens) slaagden we er ook nu in elke forel boterzacht te presenteren.”

“Dit was weer zo’n super-zonnige-dag, leuke mensen als gast en een fijne atmosfeer en daar doe je het voor, daar geniet ik echt van. Vanaf juni zijn we vanaf half 9 ’s ochtends ook tot 9 uur in de avond geopend, kijk anders even op onze pagina www.dekolkmidwolda.nl, instagram of google”. Ik hap het laatste stukje appeltaart naar binnen en spoel het restje slagroom weg met m’n koffie voor ik mezelf met m’n Zwoele Franse Troela weer naar huis toe breng.

Eeh, amoi die Jacq..

Ontglipt me als ik die ochtend m’n loopje door het Winschoter rosarium afleg en haar daar op een van de bankjes zie zitten, Jaquelien. “Eehmoidoe” antwoordt ze terug. Er zit geen woord Frans bij, ’t is niets anders als ABG, Algemeen Beschaafd Grunnegs en ’t klinkt warm en vertrouwd. Ze is net als ik ook meertalig en met een “Zet nait zain, ja!” geef ik haar antwoord terug en al snel zitten we beiden op de babbelbank.

Jacquelien Gremmer, een van die knapperds die ik nog ken uit m’n drukke(rij) uitgevers tijdperk. Echt zo’n lekker ongecompliceerd mens met een fijn karakter, altijd positief ingesteld. Ooit stond ze als model wervend op een van de folders die ik rondzond aan m’n wenskaartafnemers, op de plaat gezet door vriend Cor in de Midwolmer Koele, maar dat is weer een ander verhaal. Bij haar nooit beren op de weg, da’s wel zo prettig, niet alleen voor haar maar ook voor die beren, want die kunnen een paar glimmende naaldhakken verwachten, daar waar de zon nooit schijnt. Een opgeruimd karakter dat deze 46-jarige Oldambtster dame in haar leven goed van pas kwam.

Uit Midwolmer klaai omhoog getrokken timmerde ze goed aan de weg en deed met passie haar eigen ding. Veel Oost-Groningers (her)kennen haar misschien nog als piepjonge bar-dame van Cafe Bloem uit vroeger tijden en later o.a. als de succesvolle Winschoter mode & kledingentrepreneur. In 2005 kreeg ze door een auto-ongeluk de wind behoorlijk tegen waardoor ze voor 100% afgekeurd werd, iets waar ze zich niet bij neer wenste te leggen. “Kop der veur en deurzetten” was ’t motto en zo werkte zij zich er weer uit & ertussen. Via een werk-ervaringsplek kwam ze op de Gemeentelijke receptie terecht waar ze onderhand al 12 jaar vast-verankerd is.

Jacq is een sjieke meid met heel wat capaciteiten en die gebruikt ze ook goed. Sinds 2019 is ze een heuse BAB(e)S– Buitengewoon Ambtenaar Burgelijke stand – bij de gemeente Oldambt, een trouwambtenaar met stijl & klasse die elk met plezier de (huwelijks)boot in helpt. Jacq is geen suffe(nde) babs, sinds begin dit jaar is ze zelfstandig en maakt ook buiten de eigen gemeente van elke huwelijksceremonie een onvergetelijke gebeurtenis, dat is echt haar ding “echt de leukste baan van de hele wereld” zegt ze. Ik sta- en stap weer op van de bank, ga weer door, tijd voor koffie. “Moi he!” zegt ze “mailmiemor ast wat meer waiten wilst – of veur n bak kovvie” – sharethelove.jg@gmail.com… “ok, is goud – amoi Jacq!”

John en zijn ESSOWEE

John Ruibing

“Kijk”, zegt hij “dit is nog een van die oude wandelstokken die in vroeger tijd bij de Winschoter Adrillen markt werden uitgereikt. Niet helemaal zeker, maar volgens mij komt dit exemplaar nog van de Stadhuiszolder”. Met een glimlach toont John het duidelijk gedateerde stokje terwijl hij voor een geschilderd tafereel van een ver verleden Adrillen staat.

De 60-jarige goedlachse John Ruibing vertelt met verve het verhaal van de ‘club’ waar hij voor staat, zijn club waarvan hij naast al jaren bestuurslid nu de positie van secretaris bekleedt. Stichting Oud Winschoten, de SOW, het is een van de lokale organisaties waar een 20-tal historisch betrokken en gemotiveerde Oldambtsters zich meer dan thuis en op hun plaats voelen. Een prijzenswaardige organisatie die het Winschoter verleden tastbaar voor de toekomst bewaard houden en zich gesteund weet door ruim 450 donateurs.

John neemt me mee door de recent betrokken lokalen van de oude Pabo aan de Stikkerlaan vol met in veler vorm opgeslagen Winschoter herinneringen. Het halve interieur van de toentertijd op de hoek van de Engelsestraat en de Wevershorn gevestigde Bakkerij M. Fröling Jzn. staat naast de houten voorraad zaadkast van Kloosterhuis geduldig te wachten om op een passende plek ingedeeld te worden. Alle lokalen staan werkelijk boordevol met grote en kleine tijdcapsules, zoals de houten flessenkratten van Woltjer & Oosting, een in vol tenue gestoken paspop van het teloor gegane ‘Winschoten 66’, een toonkast vol Winschoter tinwerk, de ‘kast-van-Uil’, de oude kruikenwarmer uit het Sint Lucas, schappen vol oude kaarten, tekeningen en schilderijen, planken vol boeken en dozen vol archiefmateriaal, echt te veel om te benoemen.

Onder het genot van een bakje koffie praat hij enthousiast verder over de stichting die hij en zoveel andere Winschoters een warm hart toedragen en komt het gesprek erop hoe de voormalig Hotelier langs familiebanden gehecht aan het befaamde Hotel De Nederlanden bij de de SOW betrokken geraakt is. Al vele generaties lang is de familie Ruibing betrokken bij het wel en wee rond stad en markt. Ooit begonnen op de Oldambtster Herberg maakte overgrootvader zich in 1870 zelfstandig door het vrijwel naastgelegen logement De Nederlanden over te nemen. Naast onderdak voor de reiziger en stevige en voedzame kost voor boeren, burgers en buitenlui vonden de paarden verversing in de stal. Het waren levendige tijden, vooral tijdens kermissen en jaarmarkten. De paarden maakten later plaats voor auto’s van de hotelgasten en op feestelijke dagen vonden soms wel 1.200 fietsen hier hun tijdelijk onderdak.

“Tijdens de Adrillen markten was Winschoten altijd overvol en gezellig druk door de enorme toeloop uit omringende dorpen voor de veemarkt. Vee dat op haar beurt weer zorgde voor een overvloedig aanbod van stront en stro dat vanaf de markt naar Langestraat en Torenstraat oprukte. In die jaren zorgden wij de avond ervoor dat we oud meubilair geplaatst hadden en overal matten op de grond gelegd hadden, vooral de padvinders hielpen daar een aardig handje bij mee” vertelt John. “Het waren gezellige dagen, overal in de stad en in de kroegen aan de markt muziek en zang en de toentertijd in heel Groningen wereldbekende Jopie Koopman speelde bij ons de sterren van de hemel, dat waren nog eens tijden.., heerlijk!”

“Adrillen is bij lange na niet meer het jaarfeest wat het ooit was, door de MKZ crisis van jaren geleden verdween het vee van de markt en daarmee ook de oude tradities. Geen marktplein meer vol met paarden, koeien en kalveren geketend aan het mobiele houten hekwerk met doorgeregen stalen kettingen. Kijk.. hier achter me staan toevallig nog een paar van die originele palen met ketting die vroeger in de verzonken putjes geplaatst werden op het plein. Ik heb zelfs nog een foto van jou waarop je als Boertje Popko verkleed naast zo’n hekwerk op de markt staat. Jij had daar toen je drietand vast, dat was ook al weer jaren terug, dat was toen en ook wel iets anders dan zo’n oude wandelstok uit vroeger tijd”.

Het Raketje van Sjanetje

De kiddo’s waren enthousiast, vanaf het eerste moment geboeid en deden ook actief mee. Dat oorlogen nooit per ongeluk ontstonden en dat niet wij, de burgers, maar de politieke bestuurders daar altijd de grootste verantwoordelijkheid voor dragen, dat had ik hen net kort uitgelegd. Daarbij had ik ze ook verteld dat het eigenlijk te bizar voor woorden is dat ze daar telkens weer opnieuw in slagen omdat ze daarin al eeuwenlang hetzelfde patroon volgen.

Oorlog is misleiding en bedrog en de leugenaars weten er geraffineerd voor te zorgen dat de burgers er altijd weer intrappen. Liegen tot je barst met haat als resultaat en wij, de burgers, zijn daarbij altijd de pineut. Mensen geloven nu een keer alles, als je het hen maar vaak genoeg vertelt en of het nu waar is of niet, als je het maar blijft herhalen wordt het vanzelf de enige-echte-waarheid.

Sjanetje, een dunne deerne met lang blond haar van 11 jaar had haar hoofd goed aan staan, ze gaf zinnig en gewiekst commentaar. Waarom die oorlogen dan toch telkens weer begonnen was haar vraag en ik besloot haar mee te nemen in het voorbeeld dat ik daarop gaf. Als doe-het-zelf conferencier maak ik tot plezier en vreugde van de leerlingen en mezelf als het kan een all-in-theatervoorstelling van m’n gastlessen. Met humor hou je het langer vol en tot nog toe is dat bij de kiddo’s van ruim 700 scholen aardig gelukt al zeg ik dat zelf. Het mannetje-met-het-snorretje en de arm-omhoog komt steevast aan bod, maar wat zijn rol is in de oorlogen VOOR en NA die vette oorlog van 39-45 dat ontgaat hen, dat kan ook kloppen want de oorlog in Yemen en Syrië ontbrandden zonder hem. Hoe dan? vroeg Sjanetje, waarop ik van wal stak.

Weet je Sjanetje, je hebt een raketje, zo’n mooi klein ding met een partijspoortje aan de zijkant. Jij gaat lekker de lucht in, en ik mag mee. Maar ja, ik heb wel ‘hoogtevrees’ maar jij stelt me gerust en zegt me dat ik er niets van merk. We stappen in, jij achter het stuur en ik houd me vast aan de beugels bij het toegangsluik. Je geeft een straal gas en wij schieten met een rotgang de ruimte in. Ik schrik en schreeuw dat ik bang ben. Hou je maar vast aan de haken bij de patrijspoort en kijk maar naar buiten zeg je, dan kan je de aarde zien en de maan en misschien ook wel de zon. Het helpt, ik wordt rustiger maar als ik eens goed kijk dan zie ik buiten in het donkere heelal een hele grote voetbal zweven. Hee.. Sjanetje, ik zie een voetbal roep ik waarna ze zich met een verbaasd en verwonderd gezicht naar mij toedraait. Je bent niet wijs zegt ze, dat is de aarde…

Je hebt toch wel eens een landkaart gezien, vraagt ze. Kijk, zie je die grillige streepjes die de aardbol in allerlei aparte stukken verdeeld? Elk stuk is ingepikt, een soort van ‘landje-pik’, je vader kent het misschien nog. Vroeger deden de kinderen een spelletje waarbij ze hun zakmesje in een cirkel de grond gooiden en daarmee gebiedjes voor zichzelf afsneden. Wie het grootste stuk in kon pikken had gewonnen, ja.. echt waar. Zo is dat in de grote mensenwereld nog net zo.. in het ene stuk is er veel goud te vinden, daar trekken ze een lijntje omheen en zetten er de letter G op. In het ander stuk ernaast zit veel olie, daar zet een ander weer een lijntje omheen en de letter O op. Daarnaast zijn veel diamanten gevonden en ook daar wordt een lijntje omheen getrokken en zetten ze de letter D op. Er wonen ook mensen op die stukken aarde, maar die zijn voor die lijntjestrekkers minder belangrijk dan de spullen die in de grond zitten.

Goud, Olie en Diamanten, dat is voor de Grote Graaiers die nooit genoeg hebben veel belangrijker dan dat het goed gaat met alle mensen en er vrede is en blijft op aarde. Die graaiers hebben nooit genoeg, ze willen als het kan alles hebben, de G de O en de D, ze willen de meest machtige zijn. Ze willen het stukje van de buren in-pikken maar ja, dat gaat niet zonder slag of stoot maar daar hebben ze wat op gevonden. Het zijn niet alleen Grote Graaiers maar ook Grote Leugenaars. Ze stoken de mensen tegen elkaar op, spelen ze tegen elkaar uit, veroorzaken relletjes en als er ruzie van gekomen is zorgen zij er wel voor dat het uit de hand gaat lopen. Je kunt het een beetje vergelijken met een gemene brandweerman die benzine en olie op het vuur gooit, daardoor gaat het alleen erger branden.

Als het brandje een vuurzee geworden is, alles kapot gaat en veel mensen gewond raken en dood gaan is het voor hen nog maar een fluitje van een cent om oude streepjes weg te gummen en nieuwe te trekken, compleet met mooie contracten en verklaringen erbij dat de Grote Graaiers nu de baas geworden zijn van het G, de O en de D. De mensen die na die grote slachtpartij nog over zijn en gewond en verwonderd om zich heen kijken zien dat de streepjes weggewist, hun bezit weggegrist en het leven van hun familie, vrienden en bekenden is verkwist en uitgewist. Maar och.. het leven van de ‘goeien’ gaat gelukkig door en hebben de ‘slechten’ hun leven verloren… maar dat is niet anders, dat is al eeuwen zo. De liegende Grote Graaiers doen iedere keer hetzelfde spelletje, ze zijn helemaal niet zo slim hoor, maar wij, mensen geloven zo graag alles ..

Met grote ogen kijk ik haar aan en daarna door de patrijspoort weer naar buiten, naar de voetbal die aarde heet, in het Raketje van Sjanetje.

De Jongens van Monique Pol

Glimlachend zit ze in het prille voorjaarszonnetje en vertelt met passie haar verhaal, Monique Pol. Haar verhaal is indrukwekkend en inspirerend tegelijk en haar maatschappelijke betrokkenheid is ongekend. Wie is deze 51-jarige (en van oorsprong uit Vlaardingen) afkomstige vrouw met het ruime hart? Wat beweegt haar om te doen wat ze doet voor de mensen die zonder haar inzet de weg kwijt zijn in regelgeving en bureaucratie?

Monique is de oprichter en eigenaar van de in ’t Oldambt gelegen Zorgboerderij de Vossenburght, waar mensen opgevangen worden die door een verstandelijke beperking of psychiatrische aandoening niet (meer) voor zichzelf kunnen zorgen. Ook jeugd met een rugzak neemt ze onder haar hoede en biedt hen een veilige thuisplek. Gaandeweg het gesprek komt vaag de vergelijking boven met Moeder Theresa, een vrouw met een gouden hart, een mens van het soort en kaliber waarvan we juist NU (en niet alleen in ’t Oldambt) een nijpend gebrek hebben.

Zeventien jaar terug trok ze naar het Noorden en streek neer in het Groningse Meeden om daar haar ding te doen, te doen wat naar haar oordeel beter moest en naar eigen ervaring beter kon. Ze was haar carrière in de zorg in het West-Nederland gestart in een instelling waar zwaar gedragsgestoorde mensen ondergebracht werden.

“Achttien jaar heb ik op de groep gestaan, zoals dat genoemd wordt, met z’n tweeën probeerden we dertien mensen – in hoofdzaak mannen – te verzorgen, aangevuld met twee rolstoelafhankelijken die door hun indicatie wel extra geld in het laatje brachten maar daar absoluut niet op hun plaats waren” zegt ze, “zwaar en inspannend werk, maar tegelijk absoluut onwerkbaar. Mijn Jongens kregen door regelgeving en starre bureaucratie niet wat hen ten goede kwam. Onvoldoende gekwalificeerd personeel dat zich veel te vaak koffiedrinkend en rokend afzijdig hield en de Jongens met extra medicatie rustig en beheersbaar hield.

Ik heb toen de stoute schoenen aangetrokken en het in overleg met de directie zo kunnen arrangeren dat ik vier Jongens mee mocht nemen in m’n eigen auto. Ik nam ze mee naar buiten om op eigen tempo en regie aan het werk te gaan bij de boer, zand scheppen, tuintjes verzorgen bij buurtgenoten en dat met een verbluffend resultaat. De agressie op de groep nam af, ze werden weer meer mens. Na twee maanden was het verhaal echter over, de directie trok haar steun in en draaide de geldkraan dicht. DAT was voor mij het moment om mijn ontslag in te dienen en heb ik huis en haard verkocht om in Groningen mijn hart te volgen. In Meeden heb ik de eerste stap gezet en nu – alweer zeventien jaar verder – vang ik samen met 21 gespecialiseerde en gekwalificeerde mensen – op vijf locaties meer dan 30 Jongens op.”

Waar zij – en vooral ook ‘haar Jongens’ – toerloos tegenaan lopen is de enorm tekortschietende hulpverlening en benoemd daarbij een recent geval dat volledig uit de hand dreigde te lopen.

“Het ging hier om een jonge man waarvan de toegewezen mentor (en wettelijk eindverantwoordelijke) volledig overvraagd was. Een mentor die slecht werk geleverd heeft, haar verantwoordelijkheid niet en nooit genomen heeft en compleet verstek liet gaan. De jongen was vanuit het Westen deze kant opgekomen om een nieuwe start te maken en was bekend in de psychiatrie en met de reclassering. Hij kwam direct al verkeerd terecht als onderhuurder in een kamer in het centrum van de stad via een malafide verhuurder. Hij kreeg te maken met bedreiging en fysiek geweld maar vond gelukkig in de persoon van de hoofdhuurster een warme arm die haar hart openstelde. Zij stond hem in januari toe voorlopig te blijven zodat hij niet op straat belandde nadat de persoon waarvan hij het onderhuurde contractueel uit zicht verdween. Zijn bewindvoerder was tot dan toe totaal buiten zicht en kan nooit op de hoogte geweest zijn van de werkelijke woon en leefsituatie waarin deze jongen verkeerde, zo wel, dan heeft zij daarmee aangetoond compleet ongeschikt te zijn voor dit werk.

De bovenetage waarin zijn kamer zich bevond bleek bij inspectie begin januari veel overeenkomsten te hebben met een vuilnisdump en open toilet. Met vijf sterke mannen zijn in totaal vier volle bestelwagens met vuil, afval en menselijke uitwerpselen weggevoerd, kamer na kamer leeggemaakt, terwijl de jongen tijdelijk op adem kwam bij mij op de Vossenburght. Zijn rechtsvertegenwoordiger, zijn bewindvoerster blonk uit door afwezigheid en onbereikbaarheid, maar dat lijkt een beroepsziekte te zijn in deze tak-van-zorg. Dat ze heeft toegestaan dat hij in deze mensonterende omstandigheden mocht wonen, dat ze maandelijks braaf de huur overmaakte om deze gevaarlijke situatie in stand te houden, onvoorstelbaar!

Ik weet van de ontstelde hoofdhuurster dat zij op basis van medemenselijkheid de jongen wilde helpen en hem een volledig ingerichte kamer heeft aangeboden nadat ze dit telefonisch besproken had met de bewindvoerster. Daarnaast heeft ze alle kamers op de bovenetage’s laten strippen en alles op eigen kosten gerepareerd en vervangen zodat de jongen weer kon beschikken over een functionerend toilet, bad en keuken. Wat zij niet kon weten was zijn voorgeschiedenis en toen hij begin maart in een psychose raakte, zich opsloot en een gevaar voor zichzelf en anderen was en werd, raakte ze overvraagd.

Opnieuw liet de bewindvoerster verstek gaan en gelukkig hadden wij onderling al contact en stond ik daar die zondagochtend, samen met twee agenten van dienst die helaas niets konden uitrichten. Ik heb gedaan wat ik kon en in het belang van deze jongen heb ik hem bij mij opgenomen in de zorgboerderij. De bewindvoerster, dat moet gezegd, heeft nadien alle medewerking hierbij toegezegd maar het had heel anders af kunnen lopen. Maar weet je.. het is voor mij (en mijn medewerkers) geen opgave, het is een roeping, wij doen het met hart en ziel.

Gelukkig heb ik te maken met verantwoordelijke bestuurders in de Gemeente Oldambt, positief ingestelde en behulpzame ambtenaren waar korte lijntjes mee bestaan en die daadwerkelijk interesse tonen en waar ik graag goede zaken mee doe. De indicatiestellers, de beslissende mensen zeg maar, zijn al verschillende keren hier op bezoek geweest om te kijken wat, en te zien hoe we het doen. We doen het graag en met hart en ziel en als het aan ons zou liggen namen we morgen het leegstaande Lentisgebouw aan de Stikkerlaan over, dat is mijn droom en we hebben daarover al gesprekken gevoerd. Ik blijf mijn best doen voor mijn Jongens om hen een menswaardig dagelijks bestaan te bieden.”